Hoe het Internationaal Strafhof een staat verzon om Israël te vervolgen
In dit artikel:
De VN-Veiligheidsraad heeft in de procedure rond staatserkenning expliciet vastgesteld dat er momenteel geen Palestijnse staat bestaat. In een recente resolutie over Gaza koppelde de Raad de vestiging van een toekomstige Palestijnse staat expliciet aan ingrijpende hervormingen en politieke ontwikkelingen, waarmee impliciet werd bevestigd dat aan de voorwaarden voor staatkundigheid nog niet is voldaan.
Kort daarna liet het Internationaal Strafhof (ICC) zich wel uitgaan van het bestaan van een staat Palestina en oordeelde het dat die staat het Hof bevoegdheid kan verlenen. Die afrondende stap staat haaks op de Veiligheidsraad-interpretatie, temeer daar de vermeende Palestijnse staat volgens veel criteria voor staatkundigheid (zoals die bijvoorbeeld in de Montevideo-norm zijn geformuleerd: bevolking, grondgebied, regering en vermogen tot internationale betrekkingen) niet volledig voldoet, en Israël geen partij is bij het ICC.
De tegenstrijdigheid vloeit grotendeels voort uit een andere juridische lezing van een besluit van de Algemene Vergadering, die Palestina observerstatus gaf zonder daarmee soevereiniteit juridisch te erkennen. Critici zien hierin een verpolitiseerd gebruik van internationale rechtsmechanismen: instituties worden verschillend geïnterpreteerd om politieke doelen te dienen, wat de geloofwaardigheid van die instellingen onder druk zet en signalen van partijdigheid of dubbele moraal ten opzichte van Israël bevestigt.
Gevolgen zijn onder meer rechtsonnauwkeurigheid rond de vraag wie partijen zijn in internationale procedures, mogelijke complicaties voor vervolgingen en diplomatieke stappen, en extra spanning in een al beladen vredesproces. Voor een heldere juridische basis zouden zowel politieke als juridische organen consistentere criteria en afstemming moeten nastreven bij de behandeling van staats‑ en jurisdictievraagstukken.