Kabinet Israël beschermt archeologische vindplaatsen tegen vernieling door Palestijnse Autoriteit
In dit artikel:
Het Israëlische kabinet heeft begin februari 2026 een pakket maatregelen en een nieuw wetsvoorstel aangenomen dat het beheer van archeologische vindplaatsen in Judea en Samaria ingrijpend verandert. Op 8 februari maakte de regering bekend dat zij het toezicht op milieu-, water- en erfgoedschade in de gebieden A en B wil versterken en tegelijk een civiele Autoriteit voor Cultureel Erfgoed van Judea en Samaria wil oprichten. Die autoriteit moet de huidige legergeleide stafofficier voor archeologie vervangen en komt onder direct ministerieel toezicht te staan via een negenkoppige raad die door de minister wordt benoemd.
De nieuwe instantie krijgt verregaande bevoegdheden: het kan artefacten en de grond waarop ze liggen onteigenen in het kader van “bescherming, behoud, onderzoek en ontwikkeling”, gemeenschappen binnentreden om gestolen voorwerpen in beslag te nemen en bouwprojecten stilleggen die het erfgoed bedreigen. Met deze stap wil de regering de beperkingen uit het Oslo-tijdperk omzeilen en de directe verantwoordelijkheid van Israël voor historische sites in Judea en Samaria formaliseren.
Achtergrond voor de wetswijziging zijn jarenlange meldingen van grootschalige vernietiging en plundering van archeologische locaties. Als sprekend voorbeeld wordt verwezen naar 1999, toen de Islamitische Waqf zonder archeologisch toezicht zware graafwerkzaamheden op de Tempelberg uitvoerde en ongeveer 9.000 ton archeologisch waardevolle aarde liet verwijderen. Sifting-projecten hebben uit dat puin belangrijke vondsten opgeleverd, zoals zegels uit de 7e eeuw v.Chr., maar ook aangetoond dat veel context verloren is gegaan door het gebruik van machines en recent elektrisch gereedschap en cement in ondergrondse ruimten.
Concrete casussen die nu als prioriteit gelden zijn het Josua-altaar op de berg Ebal en de oude stad Sebastia. Het altaar, ontdekt in de jaren tachtig en gedateerd in de IJzertijd I, is herhaaldelijk beschadigd: in 2021 vernielden aannemers delen van de omliggende ommuring om grind te winnen, werden banden verbrand en werd graffiti aangebracht. Een door de Palestijnse Autoriteit goedgekeurd woonproject (“Al-Bayada”) dreigt de overblijfselen definitief te vernietigen; het kabinet wil die ontwikkeling stopzetten en een permanente bewakingsdienst instellen om het altaar te beschermen.
Sebastia (Shomron), met resten van een Omride-paleis en Herodiaanse en Romeinse bouwlagen, vertoont volgens Israëlische ambtenaren “opzettelijke verwaarlozing”: antieke zuilen zijn volgens hen misbruikt als steun voor vlaggen, modern bouwafval is op ruïnes gedumpt en wegen zijn ongeoorloofd door archeologische lagen aangelegd. Als tegenreactie reserveerde de regering eind 2025/begin 2026 circa 190 miljoen sjekel voor restauratie en ontwikkeling van het “Nationaal Park van Samaria” en vaardigde zij een onteigeningsbevel uit voor ongeveer 1.800 dunam rond de ruïnes — de grootste onteigening voor een archeologische vindplaats in decennia.
Een bredere motivatie achter de maatregelen is het terugdringen van industriële plundering en illegale handel in antiquiteiten. De indeling van de Westelijke Jordaanoever in gebieden A, B en C heeft volgens voorstanders geleid tot een handhavingskloof waardoor antiekrovers vrij spel hadden; veel vondsten belanden op de internationale zwarte markt. Organisaties zoals Shomrim al Hanetzach stelden vast dat beschadiging en vernietiging van erfgoed wijdverbreid zijn en dringen aan op strengere wetgeving tegen de handel in antiquiteiten.
De veranderingen versterken dus zowel de juridische instrumenten als de financiële middelen van Israël om erfgoedlocaties te bewaren en te ontsluiten, maar impliceren ook een uitbreiding van Israëlische civiele jurisdictie in gebieden waar die eerder beperkt was. Dat maakt de ingreep politiek gevoelig: enerzijds gepresenteerd als bescherming van historisch erfgoed, anderzijds gezien door tegenstanders mogelijk als een verdere bestendiging van Israëlische controle over delen van de Westelijke Jordaanoever.