Weinig aandacht voor leed van Palestijnen: waarom ook de Israëlische openbare omroep onder vuur ligt op Songfestival
In dit artikel:
Aanroepen om Israël van het Eurovisiepodium te weren richten zich niet alleen op de regering en het leger, maar ook op de Israëlische openbare omroep KAN, die volgens critici sterk eenzijdig over de oorlog in Gaza bericht en het Palestijnse leed nauwelijks belicht. Ruim twee jaar en zeven maanden na het begin van de Gaza-oorlog — waarbij meer dan 73.000 Palestijnen omkwamen — vragen veel mensen zich af waarom Israël nog mag deelnemen aan het Eurovisiesongfestival. Critici wijzen naar inconsequentie: Rusland werd in 2022 wel geschorst na de invasie van Oekraïne, maar Israël en KAN niet.
De European Broadcasting Union (EBU), organisator van het Songfestival, verdedigt zijn positie door te stellen dat het festival een wedstrijd is tussen omroepen, niet tussen staten. Volgens de EBU kan KAN nog onafhankelijk opereren, in tegenstelling tot de Russische omroep destijds, en er is binnen de EBU onvoldoende consensus voor uitsluiting van Israël. De beslissing leidde ertoe dat vijf landen — Spanje, Nederland, Ierland, Slovenië en IJsland — dit jaar geen kandidaat naar Wenen sturen; daardoor doen 35 landen mee.
De kritiek op KAN is breed en komt zowel van voormalig deelnemers (meer dan zeventig ondertekenden vorig jaar een oproep om Israël en KAN uit te sluiten) als van buitenlandse waarnemers. KAN wordt verweten de Israëlische regering en het leger routinematig als primaire informatiebronnen te gebruiken, vooral de militaire invalshoek te belichten en veel aandacht te hebben voor Israëlische gijzelaars, terwijl de massa-slachtoffers onder Palestijnen weinig aandacht krijgen. Voorbeelden zijn het bagatelliseren van rapporten over hongersnood in Gaza en het ontkrachten van internationale experts door te suggereren dat die op Hamas-gegevens zouden steunen.
De oorzaken van die eenzijdigheid liggen niet alleen bij redactiekeuzes. Veel Israëlische journalisten hebben zelf militaire dienstplicht vervuld, wat volgens waarnemers de journalistieke blik beïnvloedt en leidt tot zelfcensuur. Daarnaast staat persvrijheid in Israël al jaren onder zware druk: het land zakt op de persvrijheidsindex van Reporters Without Borders (huidige plaats 116/180), Arabischtalige reporters worden belemmerd, journalisten worden gearresteerd, geïntimideerd of gedood, en toegang tot Gaza is voor externe verslaggevers vrijwel onmogelijk tenzij ‘embedded’ met militair toezicht. Ook internationale zenders en titels zoals Al Jazeera en Haaretz kregen te maken met beperkingen.
KAN-medewerkers maakten de voorbije jaren meerdere publieke uitschuivers die de verdenkingen versterken: een presentatrice die luchtig met militairen tankgranaten bekeek en er zelf een tekst op schreef, een radiojournalist die een gewelddadige menigteactie tegen parlementsleden goedpraatte en klachten van buitenlandse deelnemers over aanzetten tot geweld. Onlangs kreeg KAN van de EBU een formele waarschuwing vanwege een promofilmpje van de Israëlische kandidaat waarin herhaald werd op te roepen te stemmen; de EBU-topman waarschuwde voor verdere sancties maar zei ook dat KAN welkom blijft.
Een extra laag in de controverse is de gespannen relatie tussen KAN en de Israëlische regering. Hoewel KAN in oorlogsthema’s vaak pro-militair wordt weggezet, is de omroep opvallend kritisch tegenover Netanyahu, vooral rond rechterlijke hervormingen en corruptiezaakwaarin de premier verwikkeld is. De regering heeft de voorbije jaren geprobeerd de openbare omroep te ontmantelen of haar financiering te ondermijnen — een beweging die critici zien als poging tot politieke beknotting van de publieke omroep. Dat heeft een paradoxaal effect: zonder een onafhankelijk functionerende omroep zou Israël zijn podium op het Songfestival verliezen, wat ook het land schade aan imago en publieke zichtbaarheid zou berokkenen.
Kortom: het dispuut rond KAN en Israël op het Songfestival draait om bredere thema’s van mediabeleid, persvrijheid en de vraag of culturele evenementen al dan niet een platform mogen zijn voor landen die militair ingrijpen. De EBU houdt voorlopig vast aan deelname van KAN, maar de combinatie van internationale druk, terugtrekkende landen en binnenlandse politieke strijd maakt duidelijk dat de kwestie zowel symbolisch als praktisch geladen blijft.